Ontwapenend ontbijt

In een Pools woonhuis bij onze overnachtingsplek sta ik onder de douche. Ik geniet ervan dat de ruimte warm is: veel comfortabeler dan de grote koude wasruimte op een stadscamping bij de stad Gdansk de dag ervoor. Er ligt een föhn, dus ik besluit mijn haar te wassen. Wat een luxe! Heerlijk hoe we zo onderweg het kleine waarderen. Ineens heb ik een binnenpretje. Ik sta hier onder de douche in een huis bij een man die ik niet kan verstaan en die ons zojuist en passant zijn pistool met key cord heeft laten zien dat tussen andere spullen nonchalant op een keukenstoel ligt. Thijs is inmiddels buiten verderop in onze bus. Ik grinnik omdat ik mij dit rationeel realiseer, maar totaal geen angst of iets van een zorg voel. Feit en beleving: het kan soms zo ver uit elkaar liggen.

De camperplaats in de tuin, in Pelnik (Noord-Oost Polen)

Gisteren arriveerden we hier in Pelnik (Noord Polen), een privé-camperplaats in de grote tuin van een woonhuis. Op de app waar we deze plaats gevonden hebben, staan lovende reviews over de eigenaren: hele aardige mensen die ook goed Duits spreken. We komen in het donker aan, een oudere man doet open. Hij spreekt alleen Pools en Russisch. Hij blijkt op het huis te passen van zijn vrienden. Toch kan hij ons goed duidelijk maken waar we mogen staan en waar we water kunnen tappen. Het toilet blijkt in het woonhuis te zijn.

Ietsiepietsie wodka

Nadat we ons geïnstalleerd hebben gaan we alvast betalen. Met Google translate weten wij elkaar een en ander te vertellen. Ineens vraagt hij ons te gaan zitten. Kleine glaasjes komen tevoorschijn en een fles wodka komt op tafel. Met handen, voeten en het vertaalprogramma voeren we een gesprek over van alles. In feite verstaan we elkaar, schat ik in, voor 80% procent niet. Maar de goede intenties van ons alle drie zijn goed voelbaar.

Er komt spek en brood op tafel en de glaasjes wodka worden steeds aangevuld. Mijn ‘ietsiepietsie’ blijkt erg te lijken op het Poolse ‘tietsjie’. En zo kan ik toch steeds mee proosten. Na zdrowie! Wat een fijn ontvangst. Voldaan en opgewarmd gaan we naar ons busje, waar de temperatuur inmiddels gedaald is tot zo’n 6 graden.

De koffie is klaar, de tafel gedekt

De volgende dag zit Pjotr buiten op zijn veranda. Hij zegt coffee? Ik probeer uit te leggen dat we graag koffie met hem drinken na ons ontbijt. ‘Nej! Nej!’ zegt hij. Hij loopt met mij mee naar de keuken. De koffie is al klaar, de tafel gedekt met schaaltjes met vleeswaren en tomaat met bosui. Deze gastvrijheid hadden we eerder al toen we aankwamen in Polen bij mijn Nederlandse oom die met een Poolse vrouw getrouwd is. Ook daar was de ontbijttafel met toewijding en aandacht gedekt. En zo zitten Thijs en ik weer aan Pjotr’s tafel.  Ondertussen bakt hij nog een eitje voor ons. We bedanken hem steeds, dziękuję. En hij geeft steeds als antwoord terug ‘no no it is my satisfaction!’. We praten wederom over van alles, vele Poolse woorden komen op ons af. En hij laat dus even zijn pistool zien. Niet om te pochen. Nee, gewoon om te laten zien. Hij biedt de douche aan en staat er op dat we zijn handdoeken gebruiken.

De gesprekken die we met hem hebben, is een mooi contrast met onze taalervaringen in Spanje waar ik eerder over schreef. Toevallig las ik vandaag een artikel in de NRC dat de ontwikkeling van de taalcomputer hard gaat. Dat heeft veel voordelen. Maar toch, ik zou dat onverstaanbare Pools en daardoor de goede en warme intentie die in de lucht hing niet hebben willen missen.

– Barbara –

Wek mijn zachtheid weer

Wek mijn zachtheid weer.
Geef mij terug de ogen van een kind.
Dat ik zie wat is.
En mij toevertrouw.
En het licht niet haat.

Citaat uit ‘Voor de zevende dag’ van Huub Oosterhuis

Bos in de buurt van Boguszyn, Polen

 

 

 

 

 

 

UK: slotakkoord, wonderlijke ontmoetingen

Onderweg maken we heel veel mee. Bijna dagelijks verplaatsen we ons. We zien prachtige plaatsjes, eeuwenoud, vol verhalen van weleer. Ook laven we ons aan de overweldigende natuur in al zijn facetten: indrukwekkende berghellingen, verstilde bossen, kabbelende beekjes en zonsondergangen die zichzelf telkens veranderen in weer een nieuw overdonderend schilderij, dat zich even aan ons laat zien om daarna voorgoed te verdwijnen.

‘Thuis’ waar je ook bent

Met regelmaat ontmoeten we daarnaast mooie mensen. Eerder vertelde ik over Gary. We kwamen hem tegen op een kleine camping in de middle of nowhere in het zuid-westen van Schotland bij Galloway Forest. We bleken gelijk een klik te hebben en maakten gedrieën muziek: hij op z’n harmonium, wij zingend en gitaar spelend. Fijn om mooie mensen te ontmoeten. Het geeft je een gevoel van ‘thuis’, waar je ook bent.

Een paar weken later waren we in Gary’s woonplaats: het Engelse Otley, in de Yorkshire Dales. We besloten hem spontaan een sms’je te sturen en hij kwam direct naar de pub waar wij al druk in gesprek waren met de locals. Het was een feestje om hem weer te zien. Daarnaast zorgde onze ontmoeting ervoor dat we de dag erna optraden. Ons weerzien maakte dat we ons na twee dagen in dit dorpje helemaal op onze plek voelden. Bij de supermarkt werden we herkend als die buitenlanders die de avond ervoor muziek hadden gemaakt op het open podium. Mooi om te zien hoe snel muziek je verbindt met andere mensen. Op de een of andere manier zijn daar geen lange gesprekken voor nodig. Met pijn in het hart vertrokken we na drie dagen uit Otley. Vastbesloten om in contact te blijven met Gary.

Uit het oog, niet uit het hart

Na Engeland reisden we naar Wales. Een prachtig land met een indrukwekkende kustlijn. Ook daar hadden we het erg naar onze zin. Niet in de minste plaats omdat we daar een paar dagen samen op de camping stonden met mijn zus Marije, haar man Roy en de kinderen. Altijd een cadeautje als wegen zich ongedwongen kruisen en je een paar dagen kunt genieten en lachen met elkaar. Met het verstrijken van de tijd lag Otley inmiddels steeds verder achter ons. Wat overigens niet betekende dat we het er niet geregeld met elkaar over hadden. Met lichte heimwee dachten we soms terug aan onze tijd daar. Intrigerend hoe een relatief korte periode (een dag of drie) zo’n indruk kan maken op een mens.

Onverwacht weerzien

In de buurt van Dean Forest – een mooi bos in Wales dichtbij de Engelse grens – stopten we op een morgen bij Dell Castle. We dronken een kop koffie en ik belde met mijn broer Brecht. Tijdens mijn gesprek hoorde ik Barbara zeggen: “Nou ja! Volgens mij loopt daar Gary!” Voordat ik op of om kon kijken snelde ze ons busje uit om haar vermoeden te bevestigen. En ja hoor, inderdaad, het was Gary. Hij bleek een paar dagen met familie in Wales een huisje gehuurd te hebben. Zojuist had hij zijn vriendin naar het station gebracht en besloot nog even bij Dell Castle een kop koffie te drinken en een momentje voor zichzelf te hebben om zich daarna weer in het familiegedruis te voegen.

Verbaasd en ook een beetje sprakeloos liepen we met elkaar naar een plaatselijk koffietentje, kletsten bij en genoten van het weerzien. Toen ieder weer zijnsweegs ging konden Barbara en ik er niet met elkaar over uit: hoe was het mogelijk dat we hem hier – uren rijden van zijn woonplaats – spontaan tegenkwamen? Als hij net ergens anders had geparkeerd, als wij iets later waren aangekomen, als Barbara net niet had gekeken, dan hadden we elkaar niet gezien.

Een gebrek aan woorden

Bij gebrek aan beter betitelen we dit soort ontmoetingen maar als ‘toeval’. Maar als je het mij vraagt heeft dat meer te maken met ons onvermogen woorden te kunnen geven aan kleine wondertjes. Een persoon spontaan weer tegenkomen in een zee van anderen en in een zee van factoren en omstandigheden die net even anders hadden kunnen zijn, heeft iets magisch. Het maakt dat ik vol verwondering naar onze wereld kijk. Dankbaar voor het moois dat je op de meest onverwachte momenten toevalt.

– Thijs –

Overdaad voor het oprapen

Soms vraag je je af: ‘Goh, waarom hebben we dat eigenlijk niet in Nederland?’ We zijn inmiddels een behoorlijke tijd in de UK. Daar valt ons op dat je in steden – maar zeer zeker ook in dorpen – erg veel charity shops hebt. Deze liefdadigheidswinkels draaien op vrijwilligers en de opbrengst van de verkoop gaat naar het goede doel. Er zijn winkels van grotere spelers: de British Heart Foundation, Oxfam, allerlei soorten kankeronderzoek. Maar ook van kleine en lokale initiatieven: winkels die zich vurig inzetten voor daklozen, de opvang van gedumpte huisdieren, of zoiets obscuurs als antieke vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog.

Tussen gezellige cafeetjes

Natuurlijk, in Nederland hebben we tal van kringloopwinkels, hoor ik je denken. Dat klopt, die hebben we zeker. Wat me echter vaak opvalt als ik daar ben, is dat het een behoorlijke toer is om daar te komen. Het lijkt wel alsof ze eerder ontoegankelijker dan toegankelijker worden. Voorbeeldje. In Nijmegen – de stad waar ik behoorlijk wat jaren hebt gewoond – heb je Het Goed. Deze winkel met allerhande tweedehands producten zat lange tijd in één van de drukste winkelstraten van de stad. Sinds een jaar of twee is de winkel echter verplaatst naar het industrieterrein. Eerlijk gezegd ben ik er sindsdien maar één keer geweest: toen we ons huis aan het opruimen waren en ik hoognodig dingen moest wegbrengen. In de UK vind je daarentegen de charity shops volop in de hoofdstraten van dorpjes en steden. Niks zoeken op een guur industrieterrein, gewoon tussen de gezellige cafeetjes en andere winkels vind je wat je nodig hebt.

Thijs met zijn ‘nieuwe’ korte broek bij de Aysgarth Waterfalls, Engeland
Een scheur op kruishoogte

Een paar weken terug zat er een scheur in mijn korte broek (ik behoor tot het ongelukkige soort waarvan broeken razendsnel slijten). Een scheur op kruishoogte: niet echt een florissant gezicht, dus snel naar de charity shop. Ik werd getroffen door het grote aanbod. Binnen no time had ik een mooie ‘nieuwe’ tweedehands broek. Niks karig aanbod. Daarnaast alles fris en schoon. En dat voor een euro of vier.

Dat onze ecologische voetafdruk veel te groot is weten we eigenlijk best. Over de kledingindustrie en alle mistanden die daarbij horen (van uitbuiting in naaiateliers en ondoorzichtige productieketens) kun je ook eindeloos lezen op het internet. Waarom – zo vraag ik me af – hebben we dan niet meer liefdadigheidswinkels in Nederland? Er is eindeloos veel goede kleding die belandt in de verbrandingsoven. Met gemak kan deze overdaad een betere bestemming krijgen, als je het mij vraagt.

Pennine way, Peak district, Engeland

Nederlanders – een behoorlijk deel (including me) – heeft last van een chronisch ‘teveel’. Hoe heerlijk is het om dit ‘teveel’ te kunnen doneren aan een goed doel? Daarnaast: wat is er fijner dan iets kopen in een winkel waarvan je weet dat de opbrengst goed besteed wordt? Iedereen wint, óók onze zuchtende planeet.

– Thijs –

 

 

Wisselend uitzicht

Steeds verplaatsen, telkens een ander uitzicht.

Le Manoir d’Abbaye, Frankrijk
Losar de la Vera, Spanje
Miranda do Duoro, Portugal
Picos de Europa, Spanje
Fanjeaux, Frankrijk
Florac, Frankrijk
Bay Ness Farm, Robin Hood’s Bay, Engeland
Queen’s View, Schotland
Harris, Outer Hebrides, Schotland
Harris, Outer Hebrides, Schotland
Harris, Outer Hebrides, Schotland
Shieldaig, Schotland
Arran, Schotland
Crickhowell, Wales

 

Gegronde genade

Leven van wat je toevalt is een intuïtie die centraal staat in de dominicaanse spiritualiteit. Niet wij maken de wereld, maar we leven van wat we krijgen aangereikt: van de ‘genade’ om het plechtig te zeggen. Dat klinkt heel mooi, maar ietwat abstract tegelijkertijd. Zeker als deze ontvangende beweging wordt verbonden met grote woorden raken minder “ingewijde” mensen al snel de draad kwijt, zij vragen zich af wat deze hoogdravende theologische taal betekent. En eerlijk gezegd hebben ze daar een punt. Ook ik heb soms de neiging om me te verliezen in mooie vergezichten en eloquente woorden. Ik schrijf of ik praat in jargon. Ik vergeet de ander mee te nemen in wat ik écht wil vertellen. Het brengt me uit contact, omdat ik de ander niet daadwerkelijk meeneem in wat ik wil delen.

Het huis van Alice

Nu is er niets mis met grote woorden. Een groot en misschien ook wel ouderwets woord als ‘genade’ hoeft wat mij betreft niet geschuwd te worden. Het draagt veel betekenis in zich. Wél is het denk ik belangrijk ‘oude’ woorden beter in te kleuren en te verbinden met alledaagse tastbare ervaringen. Pas dan gaan deze woorden leven. Pas dan voelen ze relevant. Pas dan hebben deze woorden een zeggingskracht die de eigen instemmende en ‘ja’-knikkende groep overstijgt.

Op onze reis proberen wij ook te leven van wat ons toevalt door ons af te stemmen op de mensen die we ontmoeten en gebeurtenissen die de revue passeren. Dat levert hartverwarmende momenten op: het zo op het eerste gezicht oubollige woord ‘genade’ blijkt voor ons steeds groter dan gedacht en verwacht. Telkens weer zijn we geraakt door mooie mensen die we op ons pad mogen ontmoeten. Zij leren mij wat dit woord in de praktijk betekent.

Zo kwamen we aan de Schotse westkust in het kleine plaatsje Shieldaig een vrouw genaamd Alice tegen. Wat ons samenbracht was niets hoogdravends, integendeel: we waren op zoek naar een wasserette om onze was te doen. Onze vraag moest ze helaas met ‘nee’ beantwoorden. Een kort moment later haalde ze echter haar huissleutel tevoorschijn en gaf deze aan Barbara met de woorden: “Hier heb je mijn huissleutel, doe de was maar bij mij.” Zelf ging ze eropuit om een ochtendwandeling te maken, maar ze had er alle vertrouwen in dat wij ons wel zouden redden in haar huis. Na haar terugkomst zaten we al snel met z’n drieën aan de tea and biscuits en hadden we gesprekken over haar jeugd, de grote stad Glasgow waar ze gedurende haar werkende leven had gewoond en gewerkt, en haar terugkeer naar haar geboortehuis in dit kleine pittoreske kustplaatsje. Na de thee vroeg ze of we ook wilden douchen. Een aanbod dat wij reizigers natuurlijk niet afsloegen. Na het aanvullen van onze watervoorraad gingen wij weer op weg, intens geraakt door haar vriendelijkheid en vertrouwen.

Thijs zingt een liedje van Tom Waits, Barbara doet de backing vocal, Gary speelt gitaar, een vriend van hem drumt

Een week of twee later stonden we in het zuiden van Schotland op een camping waar opeens Gary aan kwam lopen. Gary, eind veertig, was in een vorig leven ceo geweest, maar was zijn baan een jaar geleden kwijtgeraakt. Hij was overbodig verklaard en had wat geld meegekregen. Wij zagen echter geen uitgebluste man maar een sprankelend rustig persoon vol ideeën. Een man die muziekdocent was geworden, een eigen muziekstudiootje had opgezet en ski’s waxte in de winter: gewoon omdat hij het fijn vond om te werken met zijn handen. Na op de camping een fijne tijd samen te hebben gehad, wisselden we onze contactgegevens uit. Toen we in noord-Engeland in zijn woonplaats waren, zagen we elkaar weer. Al snel vonden we onszelf terug bij hem thuis en stimuleerde hij ons om wat nummers te zingen en te spelen in een van de plaatselijke pubs op een vrijdagavond. Daarmee bracht hij iets in ons naar boven waar wijzelf niet opgekomen waren. Hij opende een deur waardoor we ons binnen een paar dagen thuis voelden in het Engelse plaatsje Otley. En dat terwijl we er maar kort waren geweest.

Kijken en luisteren naar andere optreden tijdens de ‘open mic’

Onze ontmoeting met Alice en Gary zijn zomaar twee ontmoetingen met vreemden die in korte tijd niet meer als vreemden voelden. Hun openheid en hartelijkheid maakten dat het onbekende plots als vertrouwd aanvoelde. Aan de andere kant durfden wij ons ook af te stemmen op de personen die we op ons pad tegenkwamen: we zeiden ‘ja’ tegen de uitnodigingen en ontmoetingen op onze weg.

Als ik aan onze ontmoetingen met Alice en Gary terugdenk dan zie ik de sprankeling van iets dat wij, Barbara en ik, niet eigenhandig maken. Het wordt ons gegeven en ontstaat in interactie met anderen. Zo bezien proberen we onderweg te leven van wat op ons af komt en ons gegeven wordt. De rijkdom die ons toevalt, hebben we niet zelf in de hand, al zijn we er wel onderdeel van. Ze geeft zich te kennen in de vrijgevigheid van de ander. Geen abstracte ‘genade’, maar gegrond, klein en concreet: vertrouwen in de vorm van een huissleutel, een warme douche en schone kleren, of de uitnodiging tot samen musiceren. We voelen ons de hemel te rijk door wat ons toevalt.

– Thijs –

(Dit artikel is eerder gepubliceerd op de site van Dominicanen Nederland.)

 

Op de grens

We zijn inmiddels in Wales. Daar wijken we wat af van ons vertrouwde reisritme: niet langer zijn we iedere dag onderweg. In plaats daarvan bezoeken we vaker kleine boerencampings. Dat geeft een andere dynamiek. Er is meer ruimte en rust om de ervaringen van de afgelopen tijd op te schrijven. De inspiratie stroomt bij ons allebei. Ideetjes, plannetjes, beelden: ze dienen zich voortdurend aan. Tijdens het wandelen, tijdens gesprekken, zelfs tijdens het slapen vallen ze binnen. Als genode gasten, in het holst van de nacht.

Ook kijken we soms series en films op onze kleine iPad. De afgelopen dagen hebben we naar Stranger Things gekeken: een serie vol jaren tachtig pastiche, over een dorp waar op mysterieuze wijze mensen verdwijnen. Het levensgrote gevaar te verglijden in goedkope horror-kitsch, wordt kundig vermeden door uitstekend regie- en acteerwerk. Winona Ryder heeft mijn hart gestolen. Het maakt dat ik als horrorschuwe man (als ik een clown zie begin ik al te hollen), geboeid heb gekeken.

Wat me het meest fascineerde is (niet gevreesd, ik zal niets verklappen) hoe het kwaad in onze alledaagse realiteit probeert door te breken. Het duwt zich in de serie door de muur van de woonkamer en slaapkamer zonder zich gelijk prijs te geven. Een beetje zoals je je hand of gezicht in een strak gespannen stuk elastisch plastic kan drukken. Of, zo je wilt, je vinger in een ballon, zonder dat hij knapt. De aanwezigheid van het kwaad dringt binnen in de woonkamer en raakt je lijfelijk aan.

De serie doet me denken aan het boek House of Leaves van de Amerikaanse auteur Mark Danielewski, waarmee ik mijn eigen boek Thuis zijn in het onbekende open. Danielewski schrijft over een huis dat vanbinnen groter is dan vanbuiten. Van het ene op het andere moment is er opeens een deur, die toegang geeft tot een ruimte die eindeloos uit lijkt te dijen. Wat eerst een kastruimte is, verandert al snel in een gang. De gang blijkt toegang te geven tot een ruimte, die onderdeel blijkt te zijn van een stelsel dat leidt naar een trap de diepe duisternis in. Als je binnen treedt, verliest de ruimte zijn logica, en doorgangen en richtingwijzers verschuiven en lossen op. Eenmaal binnen is het de vraag of je ooit weer buiten komt.

House of Leaves maar ook Stranger Things plaatsen je als lezer of kijker op een grens. Op een lijn waar het onbekende zich aandient, waar het ongekende zich aan je opdringt. Tuurlijk, boek en film werken met verzonnen beelden en verhalen maar appelleren ook aan de oneindige diepte van de eigen menselijke geest. In ons onderbewuste kan het soms spoken als op een stormachtige donkere zee. Ook kunnen innerlijke kamers zo groot, gecompliceerd en duister zijn dat sommigen erin zoek raken: gevangen in een binnenwereld van spekgladde zwarte muren, zonder begin- en zonder eindpunt. Zo bezien is de uitgestrektheid van het onbekende en gevaarlijke een ongemakkelijk beeld van onze eigen geest.

De grens waar het onbekende zich aandient is een gevaarlijke plaats, maar ook een plaats van schoonheid. Creativiteit, genialiteit, maar ook waanzin, liggen soms akelig dichtbij elkaar. Op de grens laat het elementaire zich heel puur kennen. Onlangs stuurde een vriend van mij me een tekst toe. Daarin gebruikte hij een aantal gedichten van de Zweedse dichter Tomas Tranströmer. Ik was onmiddellijk geraakt door de helderheid van Tranströmers woorden. Ergens schrijft hij:

Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit, één van buitenaf en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien. (…) En er is een boot die aan wil leggen – dat precies hier probeert – hij zal het duizendmalen proberen. (Prelude I-III, Het wilde plein, 100-101, vertaling Bernlef)

Treffend laat Tranströmer zien dat twee punten naar elkaar toe bewegen. Het ene komt van binnenuit, het andere van buitenaf. We zoeken, maar worden tegelijkertijd ook gezocht. Of we nu willen of niet, het zal ons willen vinden.

Het maakt de grens tot een intrigerende plaats. Het is de plaats waar licht en duisternis worden geboren, en waar – zoals de dichter zo mooi zegt – de kans bestaat om onszelf te zien: het mooie én het ongemakkelijke. Waar de schoonheid vertoeft, maar ook de waanzin.

Aan het einde het eerste seizoen van Stranger Things zien we dat het verhaal voorlopig verder gaat. Het geeft ons wat te kijken in het donker. Samen liggend in ons daktentje bovenop de bus, vertoeven wij nog even op de grens.

Liggend in de daktent. Alles is donker, slechts ons kleine lampje geeft wat licht.

– Thijs –

Morsen met de tijd

‘Ons kuier on drink. Ons praat en ons lag. Ons kan lekker gesels*. Tot laat in die nag. Ek vertel van n boek. Wat ek het gelees.’

Zie hier ons huidige leven. Het liedje ‘Ons mors ons tyd’ in het Afrikaans van Stef Bos komt vaak spontaan naar boven bij mij de laatste tijd. De betekenis van het liedje gaat om iets anders uiteindelijk, maar het gaat mij om de eerste regels en vooral het refrein: ‘ons mors ons tyd’, dat steeds in mij klinkt. Want dat zijn wij aan het doen: tijd morsen.

Een tijd lang leven zonder planning en zonder agenda. Zien wat de dag ons brengt. Voelen waar we zin in hebben. Maar ook: meebewegen met wat ons overkomt, in welke omstandigheden we staan geparkeerd, wie we ontmoeten, wat voor weer het is. Dat dat heus niet allemaal één groot feest is lees je in het eerder gepubliceerde stuk van Thijs, ‘itinerant zijn is hard werken’. Het ‘kost’ best wat tijd om ons te verplaatsen, ons huishouden op de vierkante meter te doen, etcetera. Maar om al dit geregel heen, ontbreken afspraken, een plan, dingen die ‘moeten’. En dus klopt het aardig met ons leven nu hoe Stef Bos het ‘morsen van de tijd’ in de eerste regels van zijn liedje omschrijft. Het voelt als een ongekende luxe. Juist door deze directe tijdsbeleving, of beter gezegd het ontbreken van kloktijd, raak ik geïnspireerd, word ik creatiever en voel ik mij meer verbonden met de wereld en mensen om mij heen, ook met de mensen die ik mis en nu fysiek meer op afstand zijn.

Onlangs las ik het artikel ‘Je moet veel meer lummelen en niksen’. Dat gaat over het nieuwe boek van Alan Lightman (hoogleraar Menswetenschappen): In Praise of Wasting Time. Het NRC noemt het boek een ‘vurig pleidooi voor veel meer nutteloos rondhangen’. Lightman zegt tegen NRC Veel mensen, zelfs hele landen, vertonen bijna robotachtig gedrag. … We hebben amper nog tijd om te reflecteren, bijvoorbeeld op onze waarden. Wat vinden we belangrijk in het leven? We hebben geen tijd meer om daar rustig over na te denken. We hollen van de ene toets naar de volgende vergadering, proberen altijd online en verbonden te blijven. En het wordt erger.

Le mailleralye sur seine, Frankrijk

Mijn eigen huidige ervaring met het morsen van de tijd en het artikel in het NRC helpen mij na te denken over de invulling van mijn dagelijks leven in Nederland, zo ook over de teamsessies en heidagen die ik regelmatig geef. Ik weet dat juist even een wandeling maken midden tijdens zo’n sessie vaak juist zorgt voor meer creativiteit of betere oplossingen. Ik probeer ook altijd een dergelijk element in te brengen. Of een kennismakingsronde waar ieder vertelt over zijn / haar leven zonder strakke tijdslimiet. Het is dan net of er allerlei maskers afvallen en we met elkaar veel meer ons eigenlijke natuurlijke menselijk gezicht laten zien. Waar veel meer verbinding ontstaat. Maar toch, tijdens zo’n sessie moeten we toch weer naar een gezamenlijk plan en moeten we afspraken maken met elkaar. En ikzelf zit dan zelf ook weer meer in de modus van het houden aan de opzet die ik vooraf met de opdrachtgever heb afgesproken.

Ik broed op ideeën hoe ik dit kernachtige gevoel meer kan inbrengen in mijn werk straks. Maar dat broeden doe ik op momenten dat dit invalt en zonder schema. Ik ben immers aan het morsen met de tijd.

– Barbara –

Harris, Outer Hebrides, Schotland

 

 

 

 

 

*(Gesels = (volgens Google Translate) chatten)